woensdag, oktober 05, 2005

NIEUWE RUINES

Eenmaal terug in Panama Stad besloten Bas en ik woensdag de Puente de las Americas te bekijken, de brug die rechts bovenaan deze pagina in vol ornaat te zien is op een plaatje. Is dit nu de grens van Noord- en Zuid-Amerika? We hebben het veel mensen met wisselende kennis van de geografie gevraagd en zijn er niet uit. De brug is ook zonder deze wetenschap zeer de moeite waard. Nog aardiger was dat, om dichtbij te komen, je langs de voormalige Amerikaanse personeelsterreinen komt. De VS hadden 3000 mensen aan het werk om het Panama Kanaal te bedienen tot ze eind 1999 het kanaal overdroegen aan Panama. Blijkbaar zijn de personeelsgebouwen toen zonder een vooruitziende blik verlaten want nu was het een troosteloze puinhoop. Troosteloos? Nee, we vonden het ook wel filmisch, zo met een door niemand bekeken monument voor de president die de teruggave van het kanaal voor Panama claimde, Torrijos. Lekkende huizen met gaten in de daken en bomen die muren overwoekeren. Fascinerend. Helaas kwamen we niet dichter bij de brug dan op een kilometer. Vanaf een vlonder keken we er naar en maakten wat foto's. Vervolgens liepen we naar The Causeway, een dijk door de zeemonding naar vier eilandjes waarvan de VS in 1913 Fort Grant hadden gemaakt, een enorme vesting die diende om het kanaal te beschermen. Met de Japanse aanval op pearl Harbour in 1941 besefte men dat het kanaal niet langer te verdedigen viel met kanonnen en viel het fort in onbruik. Wel werden er documenten opgeslagen die blijkbaar zo geheim waren dat de VS tot op heden niet willen onthullen wat voor documenten het waren. Toen de dijk overgestoken was, namen we de beste batido van het gehele verblijf in Panama. Na hier heel wat van achterover te hebben gegoten, liepen we terug en zagen nog een mooi zonsondergangpanorama van de stad, waarbij een wolkenkrabber als een enorme spiegel werkte en een verblindend zonlicht op de toeschouwer wierp. Eten gingen we in een Libanees restaurant, waarna we naar een club gingen, Wasabi. Dit was een tip geweest van de Canadezen in Boquete. Ze hadden gelijk gehad. Het was er heel goed toeven. We praatten met wat vrouwen maar die bleken alleen uit op andermans drank. Niettemin een geslaagde avond.
Donderdag werd dan ook een halve laatste dag. Nog net voor zonsondergang bezochten we Panama Viejo, de eerste Spaanse nederzetting in het huidige Panama. Piraten als Henry Morgen vielen de stad aan en zorgden ervoor dat de oorspronkelijke locatie verlaten werd en nu weinig meer is dan een stel verlaten ruines, door Unesco net als het Woudagemaal te Lemmer uitgeroepen tot werelderfgoed. Ik stond er op dat deze laatste avond de avond der garnalencocktails zou worden en dat werd het ook. Het was naar den vleze, net als de hele vakantie.
En ach, de terugreis die vrijdag begon behoeft weinig vermelding. Het was allemaal best puik, al sliep ik niet vanwege opgevouwen slaaptoestand en naburig gezeten Russen. Het vliegveld Charles de Gaulle kan me nu helemaal gestolen worden, met alle controleurs en veiligheidsbeambten en andere verborgen werkloosheid die erbij hoort. Het vliegtuig naar Schiphol haalden we alleen omdat het te laat was. Eenmaal op Schiphol was ik mijn ouders kwijt, die hadden begrepen dat ik uit Madrid zou komen en niet uit Parijs.
Enfin, het is allemaal goedgekomen. En nu zit ik weer, een jetlag en verkoudheid rijker, ten werke.
Volgend jaar weer naar Latijns Amerika.

donderdag, september 29, 2005

HUIZE RYAN

Zaterdagmorgen (24 september) bleek het veel beter weer dan de dag ervoor. Bas en Morten, die snachts nog waren wezen zwemmen, stonden op het strand te voetballen toen ik daar wat rondkeek. Een fraai strand, ook in het regenseizoen. Lang, breed en wit. We voetbalden met een stel Panamezen en wonnen dat best overtuigend. Daarna bekeken we met een biertje de zonsondergang, die werkelijk verbluffend was. Een Panamese familie stond er op ons een keer of 20 te fotograferen en we kwamen een Britse hippie van rond de zestig tegen. Met de voetballers van eerder die dag dronken we in de bar (er is maar 1 bar in Playa Las Lajas) rode wijn van onze kant en rum van hun kant. Zelf houd ik niet van rum. De geur staat me tegen. Maar de wijn was prima en gelukkig een stuk goedkoper dan vrijdag, toen we in onze verminderde toerekeningsvatbaarheid ons 28 dollar hadden laten uitpersen voor anderhalve liter. Het zijn en blijven dollars maar in dit tempo is de koopkrachtpariteit snel gelijk aan Nederland, ook in Panama. Na de gezellige avond gingen we terug naar onze hutten. Daar bleek een zigeunerig aandoende tandartsfamilie te zijn neergestreken. Vader tandarts stelde zich voor en begon in het Engels op te scheppen over zijn vrouw. Of we haar, hoewel toch moeder van 3 kinderen, er niet als 20-jarige stoot uit vonden zien? I...dont really think so..., mompelde Morten, die chagrijnig was omdat het slapen door de pompeuze gettoblaster van de verblijfplaatsloos aandoende familie voorlopig niet mogelijk zou zijn. Ik vertrouwde deze mensen niet helemaal en bleef daarom rondhangen. Ons ongenoegen luchtten Morten en ik, om geen ruzie op te roepen, in het Duits. Bas was de pineut: de dikke tandarts heeft nog tot acht uur smorgens tegen hem aan zitten lullen. Ruim daarvoor was ik al gaan slapen. Zoals gewoonlijk was Ryan al om middernacht in slaap gepleurd, ditmaal midden op de bar van de bar.
Bij het opstaan zondagmorgen bleek de tandarts niet te hebben geslapen. Zelf had ik wel redelijk overnacht; de nieuwe dag kondigde zich evenwel per gettoblaster aan. Alle vier vonden we dat het mooi was geweest aan het strand. We pakten onze troep in en gingen naar David om daar fatsoenlijk te ontbijten. Eenmaal terug in Boquete wilde Ryan uitvoerig gaan winkelen en het werd dan ook een wat lange slentertocht. We zouden bij Ryan intrekken en hij wilde vermaak inslaan. Uiteindelijk leidde het winkelen tot het huren van een tv en dvd-speler. Morten en ik huurden videos. We zagen savonds, nadat Bas de dvd-speler met welhaast bovenmenselijke combinaties van drukken op de knop aan de gang had gekregen, Million Dollar Baby en waren daarvan best onder de indruk. Je denkt een boksfilm te zien en ineens blijkt euthanasie het thema te zijn...indrukwekkend, en naar ik aanneem beter dan naar een euthanasiefilm denken te gaan kijken en op een fiks moppie boksen getrakteerd worden.
Maandag zou onze laatste dag worden in Boquete. Twee Canadezen meldden zich aan de deur, gelukkig zonder deze te vernielen bij het kloppen. Net als Ryan wilden zij een ecobedrijf gaan stichten, alleen niet in het agrarische maar in het toeristenwezen. Daarom hadden ze ergens midden in het bos tussen David en Almirante een stuk grond gekocht, met een helling (schatting Morten) van een graad of 45. Ik vond dit uit agglomeratievoordelig oogpunt eigenaardig. De mannen waren zelf vol vertrouwen. Ze zouden blijven overnachten maar bij het zien van de woning besloten ze hiervan af te zien. We deden boodschappen en Morten zou een afscheidsmaal koken. Hij deed dit voortreffelijk, zodat we de beste maaltijd op Panamese grond beleefden. Daarna besloot ik het wat rustig te houden deze avond en deed dus niet mee aan het drankspel van een van de Canadezen. Het werd allemaal wat beschonken, zodat we midden in de nacht de afwas stonden te doen. Ryan haalde het in zijn hoofd om om twee uur nog naar David te willen rijden, terwijl hij tien bier op had. Dit kon gelukkig worden voorkomen.
De volgende morgen was het weer feest met hem: Bas et moi wilden bijtijds naar Panama Stad. We moesten daarvoor de auto, waarvoor ik via mijn creditcard garant stond, eerst ingeleveren. Maar meneer moest eerst lunchen met en indruk maken op een of andere griet in David. Die man heeft de hormonen om de bevolkingstrend om te keren. Dat is knap. Maar ik geloof niet dat deze impulsieve, onbetrouwbare sukkel ooit in staat zal zijn om een bedrijf uit de grond te stampen, laat staan een rendabel exemplaar. Ach, het was aardig van hem dat we in zijn brandschone, goed onderhouden huis waar hij zo goed op paste, mochten overnachten.
Met Morten hadden we een hartelijk afscheid en de wederzijde wens elkaar in Aarhus en Rotterdam te bezoeken. Hierna was het verblijf in Boquete werkelijk over (zal ook de lezer denken) en zo passeerden we, na met Ryan in David de auto te hebben afgehandeld en de bus naar Panama Stad te hebben genomen, savonds rond tienen weer de Puente de las Americas (zie foto rechtsboven). We namen onze intrek in Hotel Marparaiso en dronken een biertje in het Hard Rock cafe. Helaas zat het er niet vol, en het aanwezige publiek deed meer denken aan verveelde zakenmensen met kale hoofden dan langharig tuig, zodat we gauw weer weggingen.

woensdag, september 28, 2005

HELLO, IDIOT

Woensdag 21 september werd uiteindelijk een gezellige avond. Met Ryan en Morten gingen we na het eten in de Sportgrill naar het huis van eerstgenoemde. Hij kwam twee meisjes tegen die voor een bevriende Amerikaanse projectontwikkelaar werkten en zijn Ford Mustang mee hadden gekregen. Ze brachten ons naar huis en zo werd dit, na reeds driemaal achterin een jeep van kroeg te zijn gewisseld, de vierde Open Air rit. Zonder ontzag voor de enorme heilige koe parkeerde de jongste zus de auto voor het huis van Ryan. We hoorden de lage bodem van de auto tegen het asfalt schuren. Ryan ging met de dames iets te drinken halen en de elektriciteit viel uit. Morten, Bas en ik zaten zodoende in het pikdonker in het huis van een min of meer vreemde. Die kwam een uur later weer terug en stak een kaars aan.
Donderdag bleek de voorgaande ontmoeting zo goed te zijn bevallen dat we elkaar weer gevieren spraken tijdens ontbijt en batido, een soort milkshake met een prima afdronk. Na een aantal uren kletsen en stelde Morten voor terzake te komen. De avond ervoor was het plan opgevat om het weekend een auto te huren en naar het strand Las Lajas te gaan. Morten stelde voor, het was inmiddels alweer een uur of vier, om een biertje te drinken en dit praktisch te gaan inkleden. Zaten we aanvankelijk met zijn vieren, binnen een uur waren we omsingeld. Een Zweeds koppel, een Amerikaanse auteur van bedrijfseconomieboeken die veel en hard schreeuwde, een Boqueter, en een dame met een hemelse glimlach die alles wat wie dan ook maar zei knotsgek vond. Na te hebben gegeten besloten we dat het een goed idee zou zijn om met de hele groep naar cafe Snoopys te gaan. Hier waren we immers al meer dan eens met goed gevolg terechtgekomen. De Zweden waren erg gaaf en ook een lerares Spaans uit Costa Rica, Lucia, was erg gezellig. Eenmaal huiswaarts kerend toonde Bas weer eens de kracht van zijn talenten. Ik had hem in Berlijn al eens plompverloren een feest van wildvreemden zien binnenwandelen en dat presteerde hij ook nu. Er brandt licht, aldus Bas, dus opende hij de deur van een naburig hotel. Daar bleek een Amerikaanse vrouwelijke oude nozem een feestje voor lokale genodigden te geven. Bas vroeg haar vorsend of ze in het bezit van de vereiste ingredienten was (Do you have booze?) en ze knikte verheugd en instemmend. Zo hadden Morten, Bas en ik (Ryan was naar huis, zo zie je toch dat soms ook dat de Nieuwe Wereld de Oude Wereld niet kan bijbenen) het erg getroffen. Ik heb daar nog met een Panamees een veelheid aan vigerende problemen besproken, zonder dat me bijstond welke dat ook weer waren.
De volgende morgen was het feest in ons hoofd eigenlijk nog niet over. Een Brits echtpaar dat het hotel binnenkwam merkte op dat Bas erg wat wazig uitzag. Hij dacht terug aan het circuit rondom Boquete dat we woensdag hadden gelopen en dat we The Loop hadden gedoopt, en antwoorde meteen: Man, I did the loop twice! Bas was helemaal op dreef met zijn Nederengels. Een fraaie vrouw kwam binnen en werd door hem prompt begroet moet een GOODMORNING, MAN! Onduidelijk bleef of dit aan haar of aan zijn tafelgenoten gericht was. We zouden een auto gaan huren voor ons strandweekend in Las Lajas en Ryan was al naar de stad David om dit te regelen. Nu belde hij dat zijn creditcard niet werkte. Een hoop gedoe verder besloten wij dan maar de bus naar David te nemen en met auto en Ryan terug te gaan naar Boquete om de bagage te halen. Een terugkerend patroon begon inmiddels te worden dat het gepats van Ryan, dat eigenlijk minder op feiten en wat meer op fictie berustte, door Mortens Deens sarcasme in de grond werd gepoeierd. Zo ook nu. Tierend op het onvermogen van de jank om een auto te huren zat hij in de bus. We zouden de auto huren bij een bedrijf op het vliegveld van David. Daar aangekomen bleek Ryan kwijt. Een kwartier later, het was inmiddels half drie, kwam hij in een taxi aangereden en stak jubilerend de door basketball, baseball en naar later bleek ook voetbal zo krachtig gerijpte vuist uit het raampje van de taxi. Morten groette wat introverter met een Hello, idiot.
We reden eerst naar Boquete en daarna naar Las Lajas. Daar aangekomen stortregende het maar vonden we twee geschikte huisjes. Ryan wilde nu heel erg graag dames tegenkomen maar er was maar een bar met daar aanwezig alleen het personeel, waarvan Morten opmerkte dat zij waarschijnlijk geen deel uitmaakten van professionele Trivial Pursuit teams. Er volgde een kroegentocht, waarvan het biljarten me nog het meest is bijgebleven. Het strand is in het regenseizoen nu eenmaal geen topattractie en ik vond deze avond dan ook aanzienlijk minder dan die daarvoor.

donderdag, september 22, 2005

STIJVE POTEN

Zondag 18 september deden we weinig. Ik belde met mijn ouders internette wat, onder andere om het vorige bericht te schrijven. Bas ging uitzoeken hoe we naar de ingang van Parque Nacional Volcan Baru konden komen. Dat bleek heel simpel: pak ´s morgens vroeg een taxi met vierwielaandrijving. Maandagmorgen om half zeven stonden we dan ook bij het centrale plein van Boquete en vonden iemand bereid om ons voor vijf dollar naar de ingang te brengen. Anderhalve kilometer voor de ingang begon-ie wat te zeuren over niet verder, zodat we dus tot de ingang moesten lopen. Hier hadden we al moeten weten: dit wordt steil en stenig. We passeerden de ingang van het park. Hier bleek niemand aanwezig, zodat we helaas niet de vereiste drie dollar toegang konden betalen. We liepen dus maar verder. We wilden immers naar de top van de vulkaan, op 3478 meter. We waren nu nog op 1800 meter dus er moest worden aangepoot. Langs het pad stonden bordjes die de afstand aangaven en daardoor een drukkende werking op het moreel hadden: bij de ingang 13,5 kilometer tot de top. Ik begon eigenlijk wat te snel en was al na een kilometer of twee bekaf. Het was een psychedelische bezigheid, driftig doorstampend en af en toe water drinkend jagen op het volgende bord. Van 9 tot 4 kilometer voor de top ging het beter, het pad was minder steil en stenig. Helaas was het ter top nogal bewolkt, zodat we hier (waar het volstond met zendmasten, het moet mogelijk zijn hier Al-Jazeera of Omrop Fryslan te ontvangen) niet het felbegeerde uitzicht over zowel de Caraibische Zee als de Stille Oceaan hadden. Er stond wel een aardig kruis. Naar de top lopen had ons vierenhalf uur gekost zodat we rond half een maar weer omlaag gingen. Bas begon nu last te krijgen van een latente knieblessure en moest flink afzien. Laten danwel blijven liggen was geen mogelijkheid. Ook ik vond het een lijdensweg omlaag en zette plannen om ooit nog eens de Vierdaagse te lopen in de koelkast. We hoorden dof onweersgerommel. Na 28,5 keiharde kilometers kwamen we met gestenigde spieren en knikkende knieen weer bij de ingang van het park. Hier was men inmiddels uit bed en wilde wel een taxi bellen. Helaas, we moesten nog wel even omlaag lopen. De taxi zag eruit als een tweedehands knightrider maar van mij had het een Lada, Zastava, Yoki, Tena of Batavus mogen zijn. Zittechnisch ben je na 30 kilometer niet kritisch.
Terug in het hotel troffen we 2 Amerikaanse meisjes die we in Bocas ook al hadden getroffen - Abbey en Leslie, naar later bleek. Ook praatte ik met een Deen, Morten, die veel wist van voetbal. We eindigden, om de spierpijn en Bas´ knieblessure wat te relativeren, in dezelfde bar als zaterdag, Snoopy´s. Daar was een american football-wedstrijd bezig. Douglas, een Amerikaan die we zaterdag al hadden getroffen, was aan het kijken. Ja, het zit hier vol meer of minder gepensioneerde Amerikanen. Met hem had ik een goed gesprek over de VS en Europa, en een goed gesprek is nooit weg. Een of andere Zimbabweaanse was zo door het dolle heen dat ze alles geweldig vond en iedereen omhelste. Ik ben nog even wezen darten (werd niks) en met Leslie en Abbey speelden we een kaartspel.
Dinsdag viel het met mijn gemangelde spieren flink mee. We hadden en deden vandaag niks. OPstaan te 12.45. Lunch met Morten bij een hamburgertent. We troffen een Frans stel dat ook in hotel Marilos overnachtte. Ze wilden wel voor ons koken. We gingen boodschappen doen maar werden, klaar in de supermarkt, overvallen door een langdurige plensbui met onweersklappen. Doorweekt kwamen we aan in het hotel. De Fransen gingen koken en vroegen mij de wijn te openen, opdat deze langdurig kon ademen. Zelfde wijn trouwens die je in Nederland kan krijgen. Het was een gezellige maaltijd. Maar om maar eens het gegeven (hoewel betaalde) paard in de bek te kijken, deze Franse keuken viel mij een beetje tegen. Dit gold niet alleen het geprepareerde, dat geheel vitaminevrij en nogal zwaar was, maar ook de nazorg, aangezien ik de afwas zou doen en de indruk had dat een en ander met minder attributen in elkaar gezet had kunnen worden. Maar goed, achteraf en met een vooroordeel over Fransen, hun keuken en hun slag is het natuurlijk makkelijk raakpissen. De Franse Nathalie sprak geen woord Engels en ik was dan ook wel blij dat Morten zich bij het groepje voegde (de Franse jongen was bovendien extreemlinks). Daarna wilde Bas gaan slapen maar wilde ik nog wel wat babbelen en bier drinken zodat ik weer in Snoopy´s eindigde, weer met de Amerikaanse Abbey en Leslie, die druk in gesprek waren met 2 Panamese heren en hoog opgaven van hun parasitaire reisgedrag.
Ach ja, we konden in het hotel ook zelf de was doen. Ideaal.
Woensdag 21 september bleek van de was door toedoen van de hoosbui nog niet veel droog. Bas en ik liepen een circuit om Boquete heen. Vooral de koffieplantages waren fraai om te zien. het toppunt was evenwel een Amerikaan die een woning aan het bouwen was en een praatje wilde maken. Onder het veelvuldig roepen van ¨Why don't they go fuck themselves¨ bracht hij zijn twijfels over het Panamese milieubeleid onder de aandacht. Milder werd hij waar het over zijn eigen sigarengebruik ging. Daar gaf hij 1300 dollar per maand aan uit. Europa, aldus deze roodnek, was toch helemaal communistisch? Ja mensen, Stalin heeft gewonnen. We namen hartelijk afscheid en toen hij later langsreed in zijn suv bood hij nog een lift aan. Als rechtgeaarde communisten weigerden we dit met een glimlach. Prachtige wandeling. En nu is het plan om met Morten en een minder roodhuidige Amerikaan bier te gaan drinken in de zogeheten Sportgrill.

zondag, september 18, 2005

DE DIEREN


Donderdag 15 september vonden we het na de activiteiten van de voorgaande dagen tijd voor wat rust. Bas raakte aan de praat met een Schotse dame, van wie de man serieus het nachtvissen als hobby had opgenomen. Nu is Panama ook wel een beestachtig land; in Santa Fe hadden we vlinders in alle kleuren gezien, tijdens het snorkelen van woensdag niet alleen koraal maar ook vissen in geel en paars, en Bas had zelfs een knalrode kikker op de gevoelige plaat geslingerd. Zowel voor de esthetisch als culinair in dieren geinteresseerden is Panama een prachtig land. Ook voetballers komen hier ruimschoots aan hun trekken (al presteert het Panamese nationale team als blubber; het was zo´n beetje het eerste land in de voorrondes van het WK volgend jaar dat zeker wist dat het niet mee gaat doen). Ik besloot na een beetje luisteren dat het gesprek van Bas en de Schotse me boven de pet ging. Ik ging in een restaurant met tuinstoelen mijn boek lezen, The old Patagonia express, van Paul Theroux. Nadat het boek nogal matig begon is het nu toch wel erg leuk. In het restaurant stoind klassieke muziek aan, en samen met de gestaag vallende regen en het grijze zwerk deed dit toch wel prettig aan Europa denken. Toen ik terugkwam in het hotel gaf Andrew zijn emailadres en nam afscheid. ´s Avonds gingen we eten bij een visrestaurant van bewezen kwaliteit. Op weg daarheen zagen we weer de Rotterdammers waarmee Bas eerder had gesproken. Wederom, na het treffen met de bakkersspruit Bontekoe uit Rottevalle in Sante Fe en zijn dochter Frisia, bleek weer hoe klein niet alleen Nederland maar ook de wereld is: ze woonden in Delfshaven, 2 straathoeken verder dan ik! Wel waren ze zo blij dat ze over hun buurt konden praten dat we naar het restaurant begonnen te verlangen. Spraakwatervallen. Bovendien at de vrouwelijke helft van het stel een of ander mosterdworstje uit een plakkerig cellofaanpapiertje dat meer aan verzadigde vetten dan aan rechtsdraaiend melkzuur deed denken en daarom allerminst liet watertanden.
Na het fenomenale eten, dat de gedachte aan worst en cellofaan deed vergeten, togen we naar Mondo Taitu. Een paar mensen daar, onder wie de Australier die zo weg was van Guus Hiddink en in wie we langzamerhand een geboren opstakomediant begonnen te herkennen, gingen naar het festival dat deze week in Bocas del Toro werd gevierd. Daar aangekomen bleek de muziek nogal middelmatig maar het publiek uitzinnig. Men gaat hier in groten getale uit de plaat van een discoriedel zonder snaredrum in de beat en met een sample van Money for Nothing van de Dire Straits. We hadden eigenlijk meer salsa verwacht maar het was toch mooi meezwiepen.
Vrijdag werd dan ook een korte dag. Bas ging gewoontegetrouw vier partijen schaken met de chef in het hotel en verloor die ook vandaag weer. Daarna liepen we een blokje en kwamen in gesprek met een Nederlandse ondernemer die in Bocas zijn tweede hotel aan het bouwen was. Hij vond dat wij ook ons geluk moesten gaan beproeven in Panama omdat het hier een groeimarkt was. Dat moest wel beaamd worden, kijkend naar alle Amerikanen die hier een huisje bouwen en de groeiende stroom toeristen. Leuk gesprek. Ik kocht nog een t-shirt. Daarna gingen Bas en ik eten bij iets dat er leuk uitzag maar uiteindelijk afgezien van de garnalencocktail een vreselijke tent bleek te zijn. Jaren tachtig rockballads, een chagrijnige bediening, weer veel verzadigend vet...hier moesten we niet gezien worden, laat staan gefotografeerd. Terug in het hotel nog partijtje geschaakt, eerst Bas-hotelbaas toen Bas-ik. Ik verloor overtuigend, vooral nadat de hotelbaas me de zenuwen had bezorgd met de mededeling dat ik kon winnen.
Zaterdag 17 september. Vertrek, na een prachtige week aan het strand. We namen bijtijds het veer van Bocas del Toro naar Almirante. Daar aangekomen stapten we over op een stampvolle bus richting David. Ik zat naast een werkelijk vies heertje van Chinese afkomst. Wijdbeens zitten, zweten, stinken, slapen, snurken. Eenmaal aangekomen in David bleek de halve wereld net als Bas en ik naar het bergdorp Boquete te willen. Ik kwam terecht naast een mevrouw die net haar tanden zette in een fastfoodmaaltijd. Aan mijn andere kant werd ook nog een dame gepropt. Richting Boquete werd de bus allengs leger. De dame aan mijn linkerzijde vroeg of ik het raam dicht wilde doen vanwege de regen. Een zigeunerige man rechts voor mij begon hierop te gebaren dat ik de dame links moest zoenen. Ik zag hiervan af. Eenmaal in Boquete vonden we gauw het prima hostel Marilos en gingen eten in een bistro. Zowel uit het aantal Amerikaanse SUV´s als uit de uitstekende maaltijd bleek dat dit dorp op dit moment bedolven wordt onder Amerikaanse bejaarden. Ach, best voor te stellen met het minuscule pensioensysteem in de VS. Je dollar is hier wettig betaalmiddel en veel meer waard - dus waarom in de VS investeren? We raakten aan de praat met een man uit Elst die bedrijven hier adviseert en de warmte in David even wilde ontvluchten. Tot slot van de dag probeerden we een poolbiljart te vinden maar kwamen terecht in een jeugdhonk, waar de zaterdag met dito muziek als op het festival in Bocas luister werd bijgezet.
En de zondag begon goed: lekker ontbijt, Feyenoord weer meer punten los van PSV en 020, en Duitsland lijkt voorlopig van het socialistische spook verlost.

donderdag, september 15, 2005

KORAAL


Na de ontberingen op het strand van zondag deden we maandag 12 september alleen wat huiselijke dingen. 's Avonds gingen we wel weer naar hostel Mondo Taitu met de gezellige bar. Een Australier die alles van voetbal bleek te weten raakte in een uitvoerig gesprek met Bas over de bovenmenselijke krachten van Guus Hiddink, the socceroos coach. Vrij vroeg gingen we naar huis. De volgende dag zouden we naar een strand op een ander eiland gaan met wat mensen uit Mondo Taitu. Dinsdagmorgen bracht een bootje ons van Isla Colon, het grootste en meest toeristische eiland van de archipel, met een omweg naar Isla Bastimentos. De zee was flink aan het huishouden en al halverwege begon ik dit wel erg avontuurlijk te vinden. Wat als de boot omsloeg? Terwijl ik naar de wal aan weerszijden keek en vruchteloos berekende hoe lang het zou duren om dit zwemmend af te leggen, voeren we een hoek om en zagen het strand liggen: prachtig. Het aan land gaan vond wel een beetje koloniaal plaats: de boot had door de woeste branding problemen met aanleggen. Vijf inzittenden sprongen inclusief surfplank te water en gingen zo naar het strand. Zelf zat ik bij de zittenblijvers. De laatste meters waadden we door het water. Andrew, de 19e eeuwse Brit uit het vorige verslag, was ook mee. Ik verwachtte dat hij op het strand de Union Jack zou planten en het eiland voor het Verenigd Koninkrijk zou claimen maar hij liep gewoon naar waar de anderen aan land waren gegaan. Wat volgde was een bloedhete maar wel hele gave middag strandvoetballen, afkoelen in zee en weer strandvoetballen. Vooral een Zweed met enorme oorbellen, dreads en een vikingbaard was erg goed, evenals Bas Verweij, een harde rechtsbenige verdediger uit de Cuijkse school. We zouden met de hoge golven niet om het eiland heen teruggaan maar eerst via een paadje naar het haventje van Bastimentos lopen. Vier mensen hadden nog getracht met een andere bootsman eerder terug te gaan maar waren bijna omgeslagen en hadden weer terug naar het strand moeten komen. Eerst dacht ik dan ook ach, zo'n paadje waarom deden we dat vanmorgen dan niet. Tot ik op m'n bek pleurde. Slippers zijn geen materiaal om beblubberde tropenpaadjes met sterke hellingen langs te lopen. Ik ging dan maar blootsvoets en werd na nog wat pruttelen samen met Andrew (dit is ook geen goed pad voor Britten van stand) door Bas onthaald met een kouwe kletser. Hiervan erg genietend praatte ik met wat Duitsers uit Bremen over de levensgevaarlijke tocht die we hadden volbracht. Zij bleken dit iedere dag te moeten doen want ze overnachtten op Bastimentos.
Eenmaal terug op Isla Colon werd de avond kaartend doorgebracht, eerst met een zenuwslopend spel dat Andrew kende, daarna met een meer rustgevend spel dat Shitheads heette.
Woensdag 14 spetember was ik bij het opstaan nogal nukkig op Andrew want die had weer een tour verzonnen en maakte hiervoor onvermoeibaar reclame. Ik houd daar niet van om negen uur 's morgens. Maar hij had wel erg gelijk: hier kan men koraalriffen zien en ook dolfijnen. We namen dus weer een bootje, dat ons en een stel Israeliers en drie witte Britten door mangrove-achtige waterbegroeiing eerst naar dolfijnen bracht. We zagen er flink wat maar ze leken nogal schuw. Na tien minuten gingen we dan ook naar Coral Key, waar we een Australier (niet de Hiddink-adept) uit het hostel Mondo Taito tegenkwamen. Hij bleek ook met een boottournee bezig. Ik mocht zijn snorkel lenen (de snorkel van het schip had qua pasvorm en zeewaardigheid allang moeten zijn afgeschreven en in mindering gebracht op de creditzijde van de balans van de bootondernemer) en daar was ik blij mee, het was goeie troep. Na wat zout water drinken en proesten had ik het wel aardig te pakken en kon zo voor het eerst sinds het schoolzwemmen mijn sterrenbeeld weer eens wat eer aan doen. De koraalriffen vond ik schitterend, hoewel Bas claimde dat het hem wat tegenviel (hij heeft in Australie Great Barrier Reef en in Egypte ook iets, van de naam wil ik af wezen, bezwommen). Waarschijnlijk is het het beste om bescheiden te beginnen.
Onderwijl hadden de Israeliers uit ons hotel Olas de la Madrugada op geheel eigen wijze de smaak te pakken. Het bier plenste er rap in. Ik vond het maar vreemde haantjes. Een had zo'n haast om bij het weer aan boord gaan bij zijn vriendjes te komen dat-ie Andrew en Bas half omver liep. Net zoiets als Nederlanders aan de Spaanse kust, zeg maar. We gingen nog naar een strand in het Parque Nacional Bastimentos. Bas kwam daar weer een (aan de spraak te horen) Rotterdammer tegen die hij op Coral Key al had getroffen en die me deed denken aan Martin van Waardenberg die in een snackbar de hele vitrine bestelt. Een vriendelijke man, met dito vrouw. Hierna gingen we nog naar Hospital Point, een baai waar de Amerikaanse United Fruit Company aan het begin van de jaren twintig zijn bedrijfsziekenhuis had voor werknemers in de bananenplantages. Vandaar de naam; het ziekenhuis is weg sinds UFC het hoofdkwartier naar het vasteland verplaatste. Het snorkelen hier was een beetje rijden in dichte mist. Door het stuifzand zag ik geen moer dus ik kapte er maar mee. We gingen naar het hostel en eindigden we weer kaartend nadat Bas ook met hele matige ingredienten een maximaal maal had kunnen koken. Ik had me eigenlijk al voorgenomen om nu niet weer kaartend de avond door te brengen maar daar leek het wel op uit te draaien. Gelukkig kwamen we erop om naar het duidelijk hoorbare strandfeest te gaan (dit duurt van 13 tot 18 september; de dame in hotel Olas vond nu dat we ineens 50 dollar per nacht moesten gaan betalen maar dit gaat gelukkig niet door - wel zit vanaf vandaag Bocas helemaal vol) maar werden overvallen door een pittige plensbui. Op zich is het mooi om te zien dat er een heel vast patroon in het weer zit: overdag mooi, 's avonds een flinke bui met af en toe krakend onweer en eigenlijk altijd bliksem, maar nu waren we er niet erg blij mee. We gingen dan maar weer naar de veranda van het hotel, dat ik nu wel erg goed begon te kennen door het kaarten en de regen. Bas en ik dronken nog wat, terwijl Andrew zich ging voorbereiden op de reis terug naar San Jose.

maandag, september 12, 2005

ONGEREMD


Na twee dagen in Santa Fe was het tijd om dit toeristenoord in opkomst te verlaten. Vrijdagmorgen namen we, na een praatje te hebben gemaakt met funky Bontekoe en een ouder, rijper echtpaar uit de VS dat hier een lapje grond zocht, de bus naar Santiago. We zaten weer tussen schoolkinderen. In Santiago wisten we eerst niet of we nu direct naar een strandbestemming zouden gaan of rustig aan zouden doen en in een stad zouden overnachten. Ook wisten we niet of we toeristisch strand of verlaten strand wilden. We hadden nu 3 dagen (afgezien van het warme gezelschap van zandvliegen) vrij verlaten gebivakkeerd en wilden wel wat reuring. In ieder mens schuilt een groepscarnivoor. Uiteindelijk besloten we naar het westelijk gelegen David te reizen, met rond de 34.000 inwoners de tweede stad van Panama. In een boemelbus waren we hier wel een uur of vier mee bezig. Eenmaal in David aangekomen was het minder benauwd dan gedacht en kwamen we terecht in hostel The Purple House, met een mevrouw die de hele avond zenuwachtig (paars aanlopend, zou men zeggen) kwam vragen of alles in orde was en wat we van haar boekenverzameling vonden. Haar man was strenger en bleef hameren op regels.
Zaterdagmorgen gingen we samen met een Brit die in San Jose (Costa Rica) woont en een weekje vakantie wilde, ontbijt halen in de supermarkt. Hij ontvouwde dat hij supermarkten wanstaltige gedrochten vond die de lokale markt wegnamen. Ik vermoedde onmiddellijk hippiesche neigingen maar het bleek mee te vallen. Andrew was een buitengemeen voorkomende en komische Britse lord, een King Arthur, die zich op het strand genoodzaakt ziet geweld te gebruiken tegen insecten en met sandalen aan en bril op te water gaat. Good heavens. Het ontbijt liet aan volledigheid niets te wensen over. Daarna gingen wij per bus naar de havenplaats Almirante. Daar zouden we de boot naar het eiland Bocas del Toro nemen. Voor het zover was, dienden we nog wel de eerste heuvelrit van een leerlingchauffeur te overleven. Die kerel keek me te benauwd, bij het wegrijden al. Van remmen op de motor bij het afdalen had-ie nog nooit gehoord, en ook de zin van het bestrepen van de weg leek hem niet in het minst te boeien. Hij reed of-ie op wou stijgen. Om de zenuwen wat de baas te blijven las ik de krant La Prensa (waaruit ik met instemming vernam dat de euro was gestegen ten opzichte van de dollar, en dat men in de VS liever had dat Panama het Kanaal ging vergroten) en een tijdschrift dat Bas bij zich had: Man of all seasons. Het blad voor de echte man. Het ging over wadlopen, oesters bakken, Rolls-Royces en Turkmenistan. Op de voorplaat was een vlezige man gekleed in laarzen doende een soort tweemotorige wichelroede te besturen, kortom, het buitenleven in al zijn facetten kwam redelijk aan de orde, zodat de aandacht prettig werd afgeleid van de rijtechnische poel des verderfs voor ons.
Eenmaal in Almirante keerde de rustige boekhoudersmentaliteit die het openbaar vervoer normaliter zo eigen is nog niet terug. Vier rasta's die de hele tijd in een deuk lagen onder het roepen van "Loco!" boden ons een lift a $1 pp naar de haven aan. Ze drongen aan, zodat we meer tijd vroegen. Uiteindelijk gingen we maar mee en bleek er niks aan de hand. We kwamen aan in Bocas del Toro en namen onze intrek in hostal Las Olas, dat nog in aanbouw bleek. Die avond aten we in een Italiaans restaurant (onder andere een puntgave garnalencocktail) en speelden daar domino. We hadden nu airconditioning, zodat het goed overnachten was.
Zondag 11 september stonden we dan ook laat op en namen een taxi naar het strand. De baai heette Bahia Sand Fly. Ik vond dit geen goed omen maar wist niks anders. Andrew ging zoals gezegd inclusief sandalen en zonnebril te water, Bas werd gestoken door een listig beest dat hij vergeleek met Australische jellyfish. Ik denk dat wij bij elkaar geen stoere groep mannen vormden. Ik deed verwoede pogingen om na het zwemmen een boek van Paul Theroux te lezen maar de driehoekige houding waarin handdoek en mieren me dwongen maakte dat nogal lastig. Na een paar uur liepen we maar weer terug naar het dorp en namen een douche. De dag werd voortgezet op sunloungers op het terras van het hostel, aan het water. 's Avonds aten we bij een Mexicaan en troffen daar alweer iemand uit de VS die in Panama een woning aan het bouwen was. Wat nou nimbydenken. Na een mooi gesprek over bouwmaterialen namen we afscheid en liepen naar een ander hostel, waar veel reizigers waren. Veel Amerikaanse surfers (mooiweerpunks) maar ook vriendelijke Australiers en Zweden, en Wit-Russen.